034.
Bijbelstudie over de
hlybu
Misschien behoort ook u tot degenen, die zich nu
afvragen waarom ik deze keer de doop behandel in deze bijbelstudie. Voor een
Messiasbelijdend Joods Beit Midrash verwacht
men dit onderwerp immers niet, omdat men het nogal typisch “christelijk” vindt
en voor Joodse mensen doorgaans een nare bijsmaak heeft. Door de eeuwen heen
werden met name in Europa ontelbare Joden gedwongen om zich te laten dopen en
hun Jood-zijn af te zweren. Wie het weigerde werd gedood (meestal op de
brandstapel) of in latere tijden, toen de inquisitie afgeschaft was,
uitgesloten van bepaalde sociale voorzieningen. Joden werden praktisch overal
verschrikkelijk gediscrimineerd: ze hadden geen burgerrechten, mochten bepaalde
beroepen niet uitoefenen, moesten in speciale getto’s wonen en in sommige
landen herkenbare kleding dragen waardoor ze zichtbaar onderscheiden konden
worden van de autochtone bevolking. Was de christelijke doop in bepaalde landen
voor hun de enige kans om niet te worden gedood, zo was de doop in andere
landen meer een manier om aan eten te komen. Een van die landen was Nederland!
Deze, slechts in naam ‘bekeerde’ Joden, werden door hun volksgenoten
“spekjoden” genoemd.
Jiddische
anekdoten over de doop
In de Jiddische spreekwoorden en anekdoten worden deze “spekjoden” derhalve regelmatig op de korrel genomen. Zo zegt men bijvoorbeeld: .yvg ]yyq uyn ]va dyy ]yyq uyn zya dmv>m a ”A Meschumed is nit kein Jid un nit kein Goi!” [Een gedoopte Jood is geen Jood, maar ook geen heiden!]. Een heel grappige anekdote over de doop van een zogenaamde spekjood luidt als volgt: A kleinstädtldiker Jid hot nischt gehat kein Parnosse. Hot ihm a christlecher Schochn gegebn an Ejze: “Schmad sich, westu bakummen a gutn Postn”. Der Jid hot ihm gefolgt, ober der Schmad hot ihm geholfn punkt wie a tojtn Bankess. Amol bagegnt dem Meschumed a gewesener Freind. Frägt er ihm: “Nu, wie gejht es dir azind?” - “Wejß ich wos,” äntfert der frisch gebackener Christ. “Friher hot sich dos Weib mit mir gekriegt, wos ich gib ihr nischt oif Schabbes. Itzt schelt sie mich tojtn Kloless, wos ich gib ihr nischt oif Sunntik”. - “Wos sche hostu gepojlt mitn Schmad? Wos hostu gewunnen?” - “Wos hejßt, wos ich hob gewunnen? A Tog is oich nischt kein Kleinikeit!” [Een Jood uit een klein stadje had geen inkomen. Een christen-buurman gaf hem de raad: “Laat je dopen, dan krijg je wel een goede betrekking”. De Jood volgde die raad op, maar de doop bracht hem van de regen in de drup. Op een dag ontmoette de dopeling een vroegere vriend. Vraagt deze hem: “Na, hoe gaat het nu met je?” - “Weet ik veel,” antwoordt de nieuwbakken christen. “Vroeger verweet mijn vrouw mij dat ik haar geen geld voor de Schabbes [sabbat] gaf. Nu scheld ze mij hartgrondig uit, omdat ik haar geen geld voor de zondag geef”. - “Wat heb je nu met de doop bereikt? Wat heb je gewonnen?” - “Wat bedoel je, wat heb je gewonnen? Een dag uitstel is toch ook geen kleinigheid!”].
Gevoelig
onderwerp
U ziet, dat de doop bij Joodse mensen heel gevoelig
ligt, vooral omdat er doorgaans geen persoonlijke bekering, maar dwang of
noodzaak aan voorafging en het verlies van de Joodse identiteit ten gevolg had.
Maar ook voor christenen onderling is de doop een uitermate gevoelig onderwerp.
Zij was dikwijls zelfs de oorzaak geweest voor diverse kerkscheuringen, want in
christelijke kringen kan men over alles praten, maar als de doop ter sprake
komt, of wat de Bijbel erover zegt, breekt bijna letterlijk de hel los en er is
veel takt voor nodig om het gesprek in goede banen te houden. Door de eeuwen
heen werd over dit onderwerp helaas veel gestreden, terwijl G’ds Woord op dit
punt juist zo overduidelijk is. Er is nauwelijks iets dat zó helder en
duidelijk in de Bijbel wordt benadrukt als de noodzakelijkheid van de bekering,
die aan de doop moet voorafgaan:
“Bekeert u en een ieder van u late zich dopen” (Handelingen 2:38) en “Wie
gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden” (Marcus 16:16). Er staat dus:
éérst bekeren en dàn laten dopen - éérst geloven en dàn laten dopen! Niet
alvast een baby dopen en dan maar afwachten of het zich later wel of niet
bekeert en gelooft. Als wij serieus met de dingen van Adonai
bezig zijn dienen wij wèl de bijbelse volgorde aan te houden en niet zomaar
menselijke inzettingen na te volgen. Dat geldt óók voor de wijze waaròp het gedaan
wordt. In Romeinen 6 wordt ons duidelijk uitgelegd, dat de doop door onderdompeling
een begrafenis uitbeeldt, namelijk het afleggen en begraven van de oude,
zondige mens. Als men dan na de doop weer uit het water te voorschijn komt,
stijgt men op als een nieuwe schepping! Deze symboliek missen wij volledig bij
het besprenkelen van baby’s, en de voorstanders van de kinderdoop mogen de
woorden van Sha’ul [Paulus] derhalve ook heel
persoonlijk opvatten: “Of weet gij niet, dat wij allen, die in Mashiach Yeshua [Christus Jezus] gedoopt zijn, in
Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood,
opdat, gelijk de Mashiach [Christus] uit de
doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des
levens zouden wandelen” (Romeinen 6:3-4). Indien u Zijn offer op Golgotha
dankbaar aanvaart, hoort u Hem óók na te volgen in Zijn dood en begrafenis door
u te laten onderdompelen, want Sha’ul herhaalt
in Kolossenzen 2:12 de woorden: “...daar gij met
Hem begraven zijt in de doop”. Verder staat in Titus 3:5 dat de Eeuwige naar Zijn
ontferming ons gered heeft door het bad
der wedergeboorte. In de doop wordt dus niet alleen uitgebeeld, dat de
gelovige zijn oude leven aflegt, maar óók, dat hij opnieuw wordt geboren! Het
water dat hem omringt en waaruit hij verrijst, is hiervan het beeld. Hij wordt
getrokken uit de duisternis naar het licht. Nooit kan de besprenkeling van
zuigelingen dit mysterie van de wedergeboorte uitbeelden! In Efeziërs 5:25-26
lezen wij tevens, dat “de Mashiach [Christus] Zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar
overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord”. In de kinderdoop missen wij dus samenvattend: de
bekering, het geloof, het afleggen van de oude, zondige mens, en de
wedergeboorte, en kan derhalve vanuit bijbels perspectief gezien niet worden
erkend als doop! Zij heeft geen enkele betekenis in het Koninkrijk van G’d,
maar vormt echter wel een barrière om tot de ware doop te komen!
Vervolging
De ware doop als getuigenis van wat de Eeuwige in
het leven van een wedergeboren mens doet, wekt de felle vijandschap op van de
machten der duisternis. Zij inspireren de natuurlijke mens dan ook om dit
getuigenis te haten en vast te houden aan het surrogaat dat hij ervoor in de
plaats stelde. De ontelbare bloedgetuigen moesten dit door de eeuwen heen aan
den lijve ondervinden! Christenen die vast hielden aan de bijbelse manier van dopen,
werden door de officiële kerken verketterd en belandden vaak op de brandstapel!
De zogenaamde “kerkvader” Augustinus was reeds één van de eersten, die zelfs
banvloeken over hen uit spraken. Zo vaardigde bijvoorbeeld in 416 een concilie
te Carthago onder zijn voorzitterschap het
volgende “liefdeblijk” uit jegens
hen: “Wij willen dat een ieder, die loochent dat jonge kinderen door de doop
uit hun verloren toestand gered en eeuwig zalig worden, vervloekt zal zijn!!!”
- Dat was het begin, en tot de huidige dag worden voorstanders van de bijbelse
doop door onderdompeling ná de persoonlijke bekering binnen de traditionele
kerken als ketters gebrandmerkt en te vuur en te zwaard vervolgt en kerken waar
deze manier van dopen wordt gehanteerd, worden afgeschilderd als sekten!
Tegenwoordig hoeft men weliswaar niet meer te vrezen om door de inquisitie tot
de brandstapel te worden veroordeeld, maar men loopt wel kans om uit de kerk
gezet te worden of in het gunstigste geval te worden ontheven van eventuele
functies, die men in de kerk bekleedt. De onderdompeling van wedergeboren
gelovigen, die reeds als baby besprenkeld waren, wordt door de traditionele
kerken namelijk als “wederdoop” gezien en afgekeurd, omdat je volgens de Bijbel
maar één keer gedoopt kan worden. De doop is niet herhaalbaar, want je wordt
maar één keer deel van het lichaam van Yeshua.
Wederdoop is dus onaanvaardbaar. Daarom is men in deze kerken ook van mening
(en deze opvatting is zelfs in synodebesluiten vastgelegd), dat de leden die
zich laten “wederdopen”, hierdoor hun lidmaatschap van de kerk hebben verloren,
omdat zij namelijk door de “wederdoop” G’ds genadig handelen aan hen in de ene
doop (volgens de kerk dus de kinderdoop) verloochenen. Zij plaatsen hun eigen
beslissingen (in ogen van de kerk) boven het geschenk van G’ds genade en
verduisteren G’ds handelen, dat aan onze gerechtigheid en heiliging voorafgaat.
Zij begeven zich op afstand tot de gemeenschap waarvan zij door hun
besprenkeling als baby deel uitmaken en stichten verwarring in de gemeente.
Aldus de mening van de officiële kerkbestuurders! In sommige kerken is dit
reden genoeg om deze mensen onmiddellijk uit de kerk te zetten. In andere kerken
geeft men er de voorkeur aan om deze broeders of zusters, die door hun “afwijkende”
opvattingen over de doop als buitenbeentjes worden gezien, eerst “pastoraal te
begeleiden”, je zou ook kunnen zeggen “heropvoeden”. In afwachting van de
uitwerking daarvan mogen de “wedergedoopten” geen actief en passief kiesrecht
uitoefenen en mogen zij geen funkties als zaaldienst, huisbezoeken of verkondiging
uitoefenen. Hun lidmaatschap in de kerk kunnen zij opnieuw verkrijgen als zij
tot “inkeer komen” en “berouw” tonen. Uiteraard moeten zij opnieuw de kerkorde
aanvaarden. Blijven zij echter bij hun mening, dan raken zij definitief hun
lidmaatschap kwijt en moeten de kerk onmiddellijk verlaten! En dan zijn wij dus
terug in de middeleeuwen! Binnen de traditionele kerken bestaat de opvatting,
dat het niet in de eerste plaats gaat om de doophandeling, maar om de intentie
van de mensen (uitgezonderd de dopeling, om wie het eigenlijk gaat). Als men
dan rond het doopvont staat, als ouders meestal met de dopeling op de armen,
peten, doopgetuigen, als gemeente, als voorganger die de doop mag bedienen, dan
staat men daar in geloof. De kinderdoop is dus volledig gebaseerd op het geloof
van de ouders en de peten, terwijl de dopeling zelf daar totaal geen inbreng in
heeft. Naar zijn mening wordt niet gevraagd, sterker nog: hij kan niet eens een
eigen mening hebben omdat hij nog een baby is! Van de dopeling wordt dus
verwacht, dat hij op latere leeftijd zijn instemming geeft voor de keuze die
zijn ouders destijds voor hem hebben genomen. Dat is dan de plechtige
geloofsbelijdenis. Deze eeuwenoude traditie lijkt wel erg bijbels, maar is het
niet! Integendeel! Want stel, dat het kind later niet tot bekering komt, wat helaas meestal ook het geval is gezien
de massale leegloop en toenemende vergrijzing van de traditionele kerken, wat
is dan de waarde van de doop? En als dat wel het geval zou zijn, dan ontbrak in
elk geval wel het persoonlijk getuigenis op het moment van de doop. Het
aanvaarden van de doop achteraf bij de zogenaamde belijdenis des geloofs,
waardoor men lid wordt van de kerk en aan het avondmaal mag deelnemen, vindt
evenmin bijbelse gronden. Er zijn mensen die zeggen: “Wat maakt het nou uit of
je eerst gedoopt wordt en dan je geloof belijdt, of je belijdt eerst je geloof
en wordt dan gedoopt. Dat is toch net zo om het even, of je eerst de suiker en
dan de thee in een kopje doet of eerst de thee en dan de suiker”. Dit is echter
een verkeerde beredenering, want ons antwoord dient dan te zijn: eerst moet je
het kopje op de tafel zetten voordat je de thee erin giet, en niet eerst de
thee op de tafel gieten en daarna het kopje neerzetten! Er bestaat geen enkele
reden om van de bijbelse volgorde af te wijken! Als dus aan ons gevraagd wordt
wat er verkeerd is met de besprenkeling van zuigelingen, mogen we zeggen dat
niet alleen de wijze waarop onjuist is, maar aangezien een baby zijn
persoonlijk geloof niet tot uitdrukking kan brengen, is het doelloos geworden.
We vinden in de Bijbel geen verantwoording voor de praktijk, dat ouders voor
hun kinderen deze beslissing mogen nemen. Voor de mogelijkheid dat een baby op
latere leeftijd wel of niet zijn “doop” aanvaardt, laat G’ds Woord geen ruimte.
Het is en blijft een uitvinding van mensen! Wij moeten dus kiezen tussen een
besprenkeling van baby’s, welke rust op menselijke overwegingen, of een doop
door onderdompeling uit eigen vrije wil en op eigen verzoek, die Yeshua haMashiach [Jezus Christus] voor wedergeboren
gelovigen instelde en zelf heeft voorgedaan. Gezien het bovenstaande moeten wij
voor de goede keuze echter wel een prijs betalen en het kruis der verdrukking
op ons nemen, bestaande uit smaad, onbegrip, verachting en hoon. Wij worden ervan
beticht, dat wij door onze opvattingen over de doop degenen die hun kinderen
laten besprenkelen, op het hart zouden trappen en hun zouden kwetsen zonder
grond en zonder noodzaak. Maar dat is niet waar! Het getuigt juist van een
grote liefde als wij onze broeders en zusters wijzen op hetgeen G’d van ons
vraagt en het zelf ook voorleven in geloof en gehoorzaamheid! Maar wanneer wij
in die gehoorzaamheid de weg van Adonai willen
gaan en daarbij weerstand ondervinden van de dominee, het kerkbestuur, onze medegemeenteleden,
familie, vrienden en kennissen, dan mogen wij ons de bemoedigende woorden van Yeshua uit ]nxvy Yochanan [Johannes] 15:20 voor ogen
houden: “Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen!”.
Reeds de bloedgetuigen die in de middeleeuwen op de brandstapel omkwamen
vanwege hun opvattingen over de doop, wisten waar ze aan begonnen, want Yeshua heeft het al voorzegd: “Men zal u uit de
synagoge (en dus ook uit de kerk) bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u
doodt, zal menen G’d een heilige dienst te bewijzen...” (]nxvy Yochanan [Johannes] 16:2).
Oorsprong
van de kinderdoop
U zult zich nu wel afvragen: Als de doop van baby’s
door middel van besprenkeling of begieting niet door Yeshua
is ingesteld, noch door de apostelen werd geleerd of toegepast, en bijgevolg
niet uit G’d, maar uit de mensen is, hoe, waar en wanneer is deze dan ontstaan?
Wel, daar zijn de meningen over verdeeld. Feit is in elk geval dat Justianus de Martelaar omstreeks het jaar 140 van de
gewone jaartelling in zijn verdedigingsgeschrift, gericht aan de Romeinse
keizer Antonius Pius, tot in de details
uiteenzet wat de christenen in die tijd precies geloofden en hoe zij dit in
praktijk brachten, en de kinderdoop hoorde daar toen nog niet bij! Justianus gaf in dit verslag van de
vroegchristelijke G’dsdienst, aan de echtheid waarvan door niemand wordt
getwijfeld, een heel nauwkeurige beschrijving, hoe de gelovigen zich in de doop
aan de Eeuwige en Zijn dienst wijdden, en dat de dopelingen van de waarheid van
de nieuwtestamentische leer overtuigt moesten zijn alvorens gedoopt te worden. Justianus schreef echter geen woord over de
kinderdoop. In de Didache, een
vroegchristelijk geschrift van omstreeks het jaar 120 van de gewone jaartelling
staat o.a. een soort doop-parantese alsook een kerkorde, de sacramenten en
charismata betreffende. In hoofdstuk VII lezen wij het volgende met betrekking
tot de doop: “U moet als volgt dopen: nadat u al het bovenstaande hebt gezegd,
doop in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest met
stromend water. Indien u geen stromend water hebt, doop dan met ander water.
Indien het niet mogelijk is met koud water, dan met warm. Indien u geen van
beide ter beschikking hebt, giet dan water over het hoofd in de naam van de
Vader en de Zoon en de heilige Geest. Degeen die de doop verricht moet voor de
doop vasten. De dopeling, en zo mogelijk enige anderen, moet ook vasten. Wat de
dopeling betreft, u moet hem opdragen dit een of twee dagen te doen.” Hier
wordt weliswaar voor het eerst melding gemaakt van een begieten in plaats van
onderdompelen, maar ook hier is de dopeling geen baby, maar een volwassen
persoon, want een zuigeling kan je moeilijk opdragen om een of twee dagen te
vasten. Verder is er in de vroegchristelijke literatuur geen vermelding van een
andere wijze van dopen dan de onderdompeling, tot de bekende kerkvader en
schrijver Tertullianus (155-
Karl
Barth
De kwestie rondom de doop werd binnen de traditionele
kerken opnieuw aan de orde gesteld door de bekende Zwitserse theoloog professor
dr. Karl Barth, toen hij rond maart 1939 Nederland bezocht en in 1943 maakte
Karl Barth de volgende opmerkingen over de kinderdoop: “Na alles wat wij in het
Nieuwe Testament over de doophandelingen lezen, te beginnen met de doop van
Johannes aan de Jordaan tot aan de verschillende doop-bedieningen in de
Handelingen der Apostelen, is het duidelijk dat zowel de dopenden als de gedoopten
weten wat zij doen. Er wordt niet zomaar op los gedoopt. Men laat zich niet
dopen, zonder er zelf bij betrokken te zijn, maar de doop wordt gevraagd; het
Evangelie wordt verkondigd; er zijn mensen die geloven en die zeggen: Wat verhindert
mij om gedoopt te worden? En dan worden zij gedoopt! Deze gang van zaken
schijnt mij de enig mogelijke, indien wij niet willen dat de doop in de loop
der eeuwen verder verwildert. Daarbij komt het er niet op aan of de dopeling
een volwassene is of iemand van tien of twaalf jaar. Het komt erop aan, dat de
dopeling gedoopt wíl worden, dat hij uit zichzelf zegt: “Ik geloof, en daarom
wil ik tot de gemeente behoren,” dat de gemeente hem daarop doopt, en dat dit
gemeenschappelijk handelen geschiedt op grond van een vrij denken en beslissen.
Wij moeten uit deze donkere en duistere atmosfeer geraken, waarin men niet eens
recht weet, wat er nu eigenlijk gebeurt. De dopeling weet het niet, de
peetouders weten het evenmin, en de gemeente, die er bij zit en liederen zingt,
weet het ook al niet. In een - ik wil niet zeggen mystische - maar toch half
magische stemming wordt er iets gedaan en dan wordt gelezen: “Laat de
kinderen tot Mij komen...” hoewel dat helemaal niets met de doop te maken
heeft. Ook de beroemde passage uit Handelingen 2: “U komt de belofte toe en
uw kinderen” heeft er niets mee te maken. Men gaat er echter maar mee door
en de kerk wordt daadwerkelijk verwaterd, letterlijk “verdoopwaterd”. En dan
klaagt men er later over dat het met de volkskerk zo treurig gesteld is, waar
de mensen dan nog wel bij horen, maar toch geen belijdenis willen afleggen. Hoe
kan men dit van die arme stumpers ook verwachten, daar men ze toch immers niets
gevraagd heeft, toen men ze in deze vereniging binnenbracht in een wit kleed.
Hier de peettante, daar de peetoom, en daarna het lekkere eten, en meneer de
dominee, die zich zo vriendelijk over het kindje heen boog en wat water
druppelde. Allemaal mooi en goed, maar in de grond der zaak is het niet alleen
bij de katholieken, maar ook bij ons lutheranen en gereformeerden een stuk
overgebleven magie, wat wij daar bedrijven. Deze atmosfeer moeten wij kwijt.
Daarom houd ik het met de broeders die de kinderdoop willen opgeven.”
Gezinsdoop
Omdat er in de Bijbel met geen woord over de
kinderdoop wordt gerept, halen de voorstanders daarvan graag teksten aan over
de doop van hele gezinnen zoals het gezin van Cornelius,
om aan te tonen dat er ook kinderen gedoopt zouden zijn. Maar in Handelingen
10:44-48 staat nadrukkelijk vermeld, dat in het huis van Cornelius alleen zij gedoopt werden, die Ruach haQodesh [de Heilige Geest] hadden ontvangen en
in vreemde talen spraken. Dat konden baby’s niet doen. In Handelingen 18:8
vinden wij een ander voorbeeld: “En Crispus,
de overste der synagoge, kwam tot geloof in Adonai
met zijn gehele huis, en vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en
lieten zich dopen.” Ook hier lezen we, dat alleen degenen gedoopt werden,
die geloofden, dus geen baby’s! Ook zijn er sommigen, die een beroep doen op
Handelingen 16:14-15, waar staat, dat de koopvrouw Lydia
met haar huis gedoopt werd. Er staat nergens dat ze getrouwd was en kinderen
had, maar als verkoopster van purperen gewaden bezat ze ongetwijfeld personeel
(haar huis). Dit huis wordt in vers 40 aangeduid met “de broeders”. In
Handelingen 16:32-34 wordt nog over de doop van gevangenbewaarder en zijn hele
gezin gesproken, maar in vers 34 lezen wij: “En hij verheugde zich, dat hij
met zijn gehele huis tot het geloof in G’d gekomen was”. Dit sluit
zuigelingen uit! En tenslotte wil ik nog Handelingen 2:41 aanhalen, toen de
doop der gelovigen op de Pinksterdag voor het eerst in werking trad en Petrus aangaf, dat de bekering aan de doop
voorafgaat: “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op
die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd”. Dat hier geen
baby‘s gedoopt werden is onbetwistbaar, en toch moeten er onder deze 3000
dopelingen ongetwijfeld ouders geweest zijn, die kleine kinderen hadden. Hoe is
dit te verklaren?
En
de kinderen dan?
Een vast onderdeel van een kinderdoopdienst is het
lezen van de bekende tekst: “Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze
niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk G’ds. Voorwaar, Ik zeg u: Wie het
Koninkrijk G’ds niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan”,
en dan stopt het! Maar de tekst gaat verder: “En Hij omarmde ze en hun de handen
opleggende, zegende Hij ze” (Marcus 10:14-16). De kinderen werden dus niet
gedoopt, maar gezegend en daarom worden ook in de bijbelgetrouwe gemeenten geen
kinderen besprenkeld maar opgedragen. U ziet, dat men bijbelteksten niet zomaar
uit hun verband moeten rukken, maar hoe belangrijk kinderen in G’ds ogen zijn,
laat Hij blijken uit de woorden van Yeshua:
“Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht, want Ik zeg u, dat hun
engelen in de hemel voortdurend het aangezicht van Mijn Vader zien die in de
hemelen is” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 18:10).
De doop in de naam van de Vader en de Zoon en de
Heilige Geest moet dus gebaseerd zijn op wat de Bijbel ons leert. Deze kent
alleen de doop door onderdompeling en daarom mogen wij geen andere wijze van
dopen toestaan. “Waar staat dat precies?” zult u nu vragen. Wel, overal waar
het woord “dopen” staat, want het Griekse woord baptizw baptizo, betekent
volgens de woordenboeken “onderdompelen” en het is tevens het enige woord,
waarvan het Nieuwe Testament in de Griekse taal ongeveer zeventig maal gebruik
gemaakt heeft om de doophandeling te beschrijven. Het woord “besprenkelen” werd
in verband met de doop nooit gebruikt. Maar ook in de Nederlandse taal betekent
dopen niets anders dan onderdompelen. Kijk maar in de Van Dale. Daar staat het
volgende: “Dopen, (doopte, heeft gedoopt), 1. dompelen
(in), m.n. bevochtigen door indompeling: beschuit
in melk dopen; - zijn pen in gal
dopen, scherp in bitter schrijven; - 2. Door het ceremonieel van de doop in
een geloofsgemeenschap opnemen, m.n. in de christ. Kerk: waar ben je gedoopt? -
groot dopen, dopen door
onderdompeling (o.a. bij Pinkstergemeenten).” - In de Van Dale staat dus niet alleen
dat dopen taalkundig indompelen betekent, maar vermeldt tevens het dopen door
onderdompeling. Over dopen door besprenkelen staat er niets bij. Anders is het
als we in dezelfde Van Dale kijken onder het woordje “doop”. Daar lezen we het
volgende: “Doop, I. m., 1.
Dompeling, thans alleen als rituele handeling die de intrede in een
geloofsgemeenschap symboliseert; in de christelijke kerk besprenkeling van het
hoofd met water (vroeger gehele indompeling)...” - Hier wordt weliswaar het
besprenkelen genoemd in verband met de doop, maar tussen haakjes vermeld, dat
de doop oorspronkelijk door onderdompeling plaats vond. Zo staat het ook in de
Kleine Larousse: “Doop m. oorspr. Onderdompeling; het eerste
sacrament i.d. meeste christelijke kerken, waarbij het hoofd met water
besprenkeld wordt...” - Dus ook hier wordt het besprenkelen wel genoemd, maar
in cursief gewezen op het feit, dat de doop oorspronkelijk een onderdompeling
was. Het Nederlandse woord “dopen” is dus alleen een ander woord voor
“onderdompelen” en is afgeleid van het Gotische woord “daupjan”, dat eveneens
dompelen betekent. Wij dopen dus iets in water opdat het geheel door water
bedekt zal worden. Een ander voorbeeld is: Wij dopen een koekje in de koffie,
maar wij gaan het koekje niet met de koffie besprenkelen! Dopen en besprenkelen
zijn geheel verschillende handelingen. Dat blijkt vooral duidelijk uit die
plaatsen in de Bijbel, waar beide woorden tegelijk voorkomen. Een prachtig
voorbeeld daarvan vinden wij in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 4:6,
waarin wij lezen: “De priester zal zijn vinger in het bloed dopen (Hebreeuws: lbu taval; Grieks: baptw bapto) en van het
bloed zevenmaal sprenkelen
(Hebreeuws: hzh hiza; Grieks: rainw raino) voor het aangezicht
van de Eeuwige”. De vinger van de priester werd dus gedoopt om met het bloed te sprenkelen;
maar het sprenkelen was geen dopen! Dat zijn twee verschillende handelingen.
Wanneer de dominee het voorhoofd van de dopeling besprenkelt en daarbij zegt:
“Ik doop u”, dan is dat volgens de Bijbel een onwaarheid, want hij doopt zijn
eigen vinger, in plaats van de dopeling! Het is derhalve volstrekt onbegrijpelijk,
dat Luther en Calvijn het hebben toegelaten dat in de kerken van de reformatie
de besprenkeling werd en wordt gehandhaafd, terwijl beiden zelf hebben gezegd:
“Het zelfstandig naamwoord baptismoV baptismos [doop] betekent onderdompeling, en het werkwoord baptw bapto of baptizw baptizo betekent
indompelen, onderdompelen”. Het Griekse woordje voor sprenkelen is rantizw rantizo, maar het wordt in de Bijbel nergens gebruikt in verband
met de doop! Waarom niet, zult u vragen, want er wordt nog wel eens gezegd dat
de hoeveelheid water bij het dopen niet belangrijk zou zijn, en dat het
onverschillig zou zijn op welke wijze het water aangewend wordt, zoals
begieten, besprenkelen of onderdompelen? Wel, als de Eeuwige met de dopen niet
uitsluitend onderdompelen bedoeld had, dan zou Hij zeker ook andere woorden
gekozen hebben dan alleen maar baptizw baptizo of baptizein baptizein! Het is dus zowel bijbels alsook taalkundig onverantwoord,
het onderdompelen op eigen houtje te veranderen in besprenkelen, hetzij van
baby’s, hetzij van volwassenen! In het verhaal over de doop van de Ethiopische
kamerling lezen wij: “En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een
water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt
word? En hij zeide: Indien gij van ganzer harte gelooft, is het geoorloofd. En
hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Yeshua haMashiach de Zoon van G’d
is. En hij liet de wagen stilhouden en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij
doopte hem” (Handelingen 8:36-38). Er zijn door geleerde theologen reeds
ettelijke dikke boeken geschreven om de kinderdoop door besprenkeling te
rechtvaardigen, terwijl de Bijbel er geen woord over zegt. Yeshua zelf is
ondergedompeld in de Jordaan, niet omdat Hij het nodig had, maar om te laten
zien hoe het moet. Wie slechts met enkele druppels water besprenkeld werd, is
niet gedoopt als Hij!
Vervangingsleer
Na het lezen van het bovenstaande zult u wel
begrijpen waarom Joodse mensen vaak denken dat de doop een aangelegenheid is
voor christenen, waar je als Jood beter niets mee te maken wilt hebben. Het
besprenkelen van baby’s is namelijk niet alleen een van oorsprong heidens
ritueel, maar het is ook nog ronduit antisemitisch! In vele kerken, waar men zo
wordt gedoopt, kent men de zogenaamde doopformulieren, waarin staat, dat de
doop de plaats inneemt van de besnijdenis (hlym=tyrb B’rit-Mila), als handeling waardoor
dat kind deel uitmaakt van het verbond. Het dopen van baby’s is dus gebaseerd
op de vervangingsleer, het idee dat de kerk in de plaats van Israël zou zijn
gekomen. Deze vervangingsleer heeft door de eeuwen heen veel ellende veroorzaakt!
Maar waar staat in de Bijbel, dat de doop in de plaats kwam van de besnijdenis
en dat de doop dezelfde betekenis zou hebben in het Nieuwe Testament als de
besnijdenis in het Oude Testament? Het verbond van ty>arb B’reshit [Genesis] 17:7 vindt niet,
zoals het doopformulier beweert, zijn vervulling in Handelingen 2:39, want de
Eeuwige spreekt in vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31 over het
Nieuwe Verbond (h>dxh tyrb B’rit haChadasha), dat Hij op de eerste
plaats met het Huis van Israël en het Huis Juda zal sluiten, en niet met de
heidenen, die er na hun bekering uiteraard wel bij mogen horen! De belofte in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:39 doelt dus niet op het
Verbond, maar op de belofte van Ruach haQodesh,
de Heilige Geest! Een ander misverstand is de christelijke opvatting, dat de
doop het teken van het Nieuwe Verbond zou zijn, omdat de besnijdenis het teken
is van het Oude Verbond. Ten eerste sluiten beide verbonden elkaar niet uit,
het Nieuwe Verbond is geen voortzetting van het Oude, maar loopt er parallel
mee op een hoger niveau, en ten tweede vinden wij in de Bijbel nergens een
bewijs voor deze stelling. Integendeel! In Lucas 22:20 zegt niemand minder dan Yeshua zelf, dat de beker dit teken is en niet de
doop: “Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, die voor u uitgegoten
wordt.” - De doop is niet inplaats van de lichamelijke besnijdenis gekomen,
maar tijdens de doop vindt in de verborgenheid onder water wel een geestelijke
besnijdenis plaats: de besnijdenis des harten! Sha’ul
[Paulus] zegt het zo: “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen
werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des
vlezes, in de besnijdenis van de Mashiach
[Christus], daar gij met Hem begraven zijt in de doop” (Kolossenzen
2:11-12). Zo is dus de besnijdenis des harten een onderdeel van het proces der
wedergeboorte, en de doop is een getuigenis van de wedergeboren mens!
T’vila
hlybu in de naam van Yeshua
Terwijl de zuigelingenbesprenkeling onder heidense
invloeden de kerk is binnengeslopen evenals de kerstboom, is de doop door
onderdompeling een typisch Joodse handeling! De hlybu T’vila, zoals de doop in het Hebreeuws heet, in de naam van iv>y Yeshua [Jezus] is één van de vele rituele
onderdompelingen binnen het Jodendom, maar verreweg de belangrijkste! Volgens
de hrvt Tora (ik gebruik liever niet het
woord “wet”) moet iedereen die onrein is, zich laten onderdompelen in levend
water, want het water maakt rein (niet alleen lichamelijk, maar vooral spiritueel)
en schenkt nieuw leven. Een algemeen begrip voor rituele onreinheid is hamvu Tum’a. Na de hlybu T’vila, de onderdompeling, heeft men weer reinheid
verkregen, rhvu Tohar. Het rituele bad heet hvvqm Miq’va, in het Jiddisch Mikwe en moet aan verschillende eisen voldoen, o.a.: de
vastgestelde minimale inhoud van een ritueel bad is precies 5760 eierdopjes
water, ongeveer